Informele kunst in België en Nederland

Een illustratie die een voorbeeld zou kunnen zijn voor de naoorlogse Informele Kunst (Art Informel), geïnspireerd door Nederlandse en Europese kunstenaars zoals Armando, Bram Bogart, Jaap Wagemaker en Jean Fautrier. Een typerende afbeelding met aardetinten zoals oker, roest, grijs en gedempt wit. Geometrische vormen en figuratieve elementen worden vermeden. Het kunstwerk roept een gevoel van existentiële reflectie en materiaalonderzoek op.
Informele kunst: een nieuwe start na de oorlog
Na de Tweede Wereldoorlog zochten kunstenaars naar een nieuwe manier van uitdrukken. Alles was verwoest: steden, samenlevingen, zekerheden. Kunst moest opnieuw beginnen. In plaats van herkenbare vormen en figuren, kozen kunstenaars voor materie, gebaar en intuïtie. Dit noemen we informele kunst.
De term Art Informel werd in 1951 geïntroduceerd door de Franse kunstcriticus Michel Tapié. Hij gebruikte het om abstracte kunst te beschrijven die niet geometrisch was, maar juist spontaan, expressief en vaak ruw van materiaal. In Frankrijk ontstonden stromingen als lyrische abstractie, Art Brut, Tachisme en de Nieuwe Parijse School.
De Nederlandse Informele Groep
In Nederland ontstond in 1959 de Informele Groep, met kunstenaars als:
- Armando
- Kees van Bohemen
- Jan Henderikse
- Henk Peeters
- Jan Schoonhoven
Ze werkten vooral in Delft en hielden hun eerste tentoonstelling in 1958. Hun kunst was een reactie op de geometrische abstractie van vóór de oorlog. Ze wilden geen rationele composities, maar juist een objectieve benadering van materiaal. Niet om de werkelijkheid af te beelden, maar om haar te intensiveren.
Materie als expressiemiddel
De informele kunstenaars gebruikten materialen zoals zand, gips, vezels en metaal. Ze lieten verf druipen, smeerden dikke lagen op het doek, en lieten het materiaal zijn eigen vorm aannemen. Kunstenaars als Bram Bogart, Jaap Wagemaker en Jan Henderikse maakten werken die leken te ontstaan uit de natuur zelf.
“Er kan niets van de aarde af, het kan alleen van vorm veranderen.” – Albert Einstein, geciteerd door Jaap Wagemaker
Van kleur naar leegte
Sommige kunstenaars gingen nog verder. Ze maakten monochrome schilderijen – doeken in één kleur, vaak wit of zwart. Dit was geen leegte, maar een manier om alle overbodige expressie weg te halen. Kunst moest puur zijn. Pierre Manzoni inspireerde veel Nederlandse kunstenaars met zijn witte ‘Achromes’, gemaakt van gips, watten en klei.
Overgang naar de Nul-beweging
In 1960 ging de Informele Groep over in de Nul-beweging. Kunstenaars als Armando en Peeters wilden af van persoonlijke expressie. Kunst moest neutraal, objectief en universeel zijn. In 1962 organiseerden ze de tentoonstelling Nul in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Internationale invloeden
Nederlandse kunstenaars hadden contact met internationale avant-garde groepen zoals:
- Zero in Duitsland (Uecker, Mack, Piene)
- Fontana in Italië
- Yves Klein in Frankrijk
Deze kunstenaars experimenteerden met ruimte, licht, monochromie en het gebruik van industriële materialen.
Informele kunst in Europa
In Duitsland ontstond in 1952 de groep Quadriga in Frankfurt. In Frankrijk werkten pioniers als Jean Fautrier, Wols, Dubuffet en Hartung. Fautrier’s serie Les Otages (De Gijzelaars) toont de pijn van oorlog in dikke lagen gips en verf. Het lichaam verdwijnt uit beeld, en wordt vervangen door materiaal en gebaar.
Een nieuwe beeldtaal
Informele kunst was geen stijl met vaste regels. Het was een zoektocht naar een nieuwe beeldtaal. Kunstenaars wilden niet meer afbeelden, maar ervaren. Ze gebruikten verf, materie en structuur om gevoelens, herinneringen en de menselijke conditie uit te drukken.
Wil je dat ik hier ook een visuele samenvatting, tijdlijn of interactieve opdracht bij maak? Bijvoorbeeld een vergelijking tussen informele kunst en geometrische abstractie? Dat kan leerlingen helpen om de verschillen en ideeën beter te begrijpen.
Peeters H. et al (1983). Informele kunst in België en Nederland. Haags Gemeentemuseum e.a.
