Geometrisch-abstracte kunst in Nederland

Een illustratie geïnspireerd op de naoorlogse geometrisch-abstracte kunst in de stijl van Pieter de Haard, Joost Baljeu en Harrie Verburg met een focus op modulaire en seriële structuren in een strakke, evenwichtige compositie. Het kleurenpalet bestaat uit zachte tinten zoals olijfgroen, mosterdgeel, baksteenrood, blauwgroen en warm grijs.
Een nieuwe start na de bevrijding
Na de bevrijding in 1945 groeide de belangstelling voor geometrisch-abstracte kunst. Veel jonge kunstenaars wilden zich losmaken van het realisme, dat tijdens de oorlog door de Kultuurkamer als “toegestane kunst” werd opgelegd. Ze zochten inspiratie in de avant-garde van vóór de oorlog, zoals De Stijl, Bauhaus en het constructivisme.
Kunstenaars als Pieter de Haard en Harry Verburg kozen bewust voor geometrische abstractie. Ook oudere kunstenaars stapten over op een abstracte beeldtaal. Deze beweging groeide door in de jaren ’50 en bereikte een hoogtepunt met de oprichting van de Liga Nieuwe Beelden en het tijdschrift Structure. Kunstenaars werkten samen met typografen en architecten en streefden naar een synthese van kunstvormen: schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur.
Abstracte kunst als nieuwe wereld
Abstracte kunst is het tegenovergestelde van het afbeelden van de natuur. Het gaat om het scheppen van een nieuwe wereld met puur schilderkunstige middelen. Binnen deze kunst zie je verschillende richtingen:
- Sensitieve abstractie (zoals bij Kandinsky en Paul Klee)
- Constructivisme (zoals bij Naum Gabo en Vladimir Tatlin)
- Natuur-geïnspireerde abstractie (zoals bij Henry Moore)
Willy Boers werkte in een spontane stijl, geïnspireerd door Kandinsky. Hij gebruikte kleurvlekken en grillige lijnen. Veel kunstenaars kozen na de oorlog voor lyrische en expressieve abstractie, als reactie op het verbod op stromingen als surrealisme en expressionisme door de nazi’s.
Geometrische abstractie als maatschappelijk statement
Kunstenaars zoals Pieter de Haard en Koos van Vlijmen lieten zich inspireren door kubisme, De Stijl en Bauhaus. Voor De Haard was geometrische abstractie een manier om zijn onvrede over de oorlog uit te drukken en zijn verlangen naar harmonie te verbeelden.
Ger Gerrits schreef dat abstracte kunstenaars zich afzetten tegen nationalistische kunst en juist een internationale visie nastreefden. Abstracte kunst werd door de nazi’s als “ontaard” beschouwd, omdat ze werd geassocieerd met vrijheid van expressie en internationalisme.
Absolute kunst: een universele taal
Na 1945 ontstond het ideaal van absolute kunst: kunst die geen verwijzing heeft naar de zichtbare werkelijkheid, maar betekenis ontleent aan de interne relaties tussen vormen en kleuren. Dit idee komt oorspronkelijk uit de muziek, waar het al in de 19e eeuw werd toegepast.
Kandinsky en Paul Klee pasten dit principe toe in de beeldende kunst. Voor Pieter de Haard waren De Stijl en Bauhaus belangrijke inspiratiebronnen. Hij verdiepte zich in de kleurenleer van Goethe en Ostwald en ordende zijn kleuren op basis van helderheid, verzadiging en toon.
Vordemberge-Gildewart en de zuivere kleurconstructie
Friedrich Vordemberge-Gildewart was een Duitse kunstenaar die vanaf 1919 actief was. Hij werd beïnvloed door constructivisme en werkte samen met Theo van Doesburg en El Lissitzky. Zijn werk werd door de nazi’s als “cultuur-bolsjewisme” bestempeld.
Hij geloofde in absolute kunst: een schilderkunst die volledig van binnenuit ontstaat, zonder invloeden van buitenaf. Kleur was voor hem een actief bouwmiddel, niet iets dat beschrijft. Zijn ideeën waren minder spiritueel dan die van Kandinsky, maar wel sterk verbonden met de concrete kunst van Van Doesburg.
Surrealisme en het onderbewuste
Willem Sinemus werd rond 1945 beïnvloed door het surrealisme, dat droombeelden en het onderbewuste centraal stelde. Deze stroming was gebaseerd op de ideeën van Sigmund Freud en wilde een hogere werkelijkheid tonen: de sur-réalité. Kunst moest niet logisch zijn, maar suggestief en intuïtief.
Creatie: vereniging voor absolute kunst
In 1950 richtten Willy Boers en Ger Gerrits de groep Creatie op: een vereniging voor absolute kunst. De groep bestond tot 1954 en organiseerde vier tentoonstellingen. De leden werkten in verschillende stijlen: van spontane lyriek tot geometrische abstractie.
Na het uiteenvallen van Creatie ontstond Groep 54, met o.a. Boers en Armando. De groep bleef zoeken naar een universele beeldtaal die losstond van de zichtbare werkelijkheid.
Geometrie als uitdrukking van kosmische orde
Veel kunstenaars geloofden dat er een harmonische orde schuilgaat achter de materiële wereld. Net als muziek kon wiskunde helpen om die orde zichtbaar te maken. Pieter de Haard verdiepte zich in filosofie en de gulden snede, een verhouding die symbool staat voor kosmische harmonie.
Joost Baljeu: geometrie als maatschappelijke vormgeving
Joost Baljeu en Carel Visser geloofden dat geometrische vormen de structuur van de natuur konden weergeven. In het tijdschrift Structure onderzocht Baljeu de erfenis van De Stijl en Bauhaus. Hij vond dat abstracte kunst pas echt een maatschappelijke functie kon vervullen als ze werd ingezet voor totale vormgeving – bijvoorbeeld in architectuur en openbare ruimte.
Baljeu ontwierp reliëfs die schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur samenbrachten. Hij zag kunst als een onderzoek naar de structuur van de natuur, waarin de mens zijn plek kon herkennen.
Blotkamp B. et al (1988). Een Nieuwe synthese, Geometrisch-abstracte kunst in Nederland 1945-1960. SDU Uitgeverij.
